De volgende ochtend begint vroeg, veel te vroeg voor
de twee volwassenen in dit huis. Toch benut geen van hen dat extra uur van
broodnodige rust voor de dag werkelijk losbarst met al haar verplichte
beslommeringen. Niet omdat het koppel het elkaar niet gunt als een soort
symptoom van een verroest huwelijk dat toch al meer dan tien jaar lijkt stand
te houden. Maar vanuit een vaag restant van genegendheid ontstaan toen hun
relatie in volle bloei stond, het idee dat alleen ontbijten het begin van het
einde zou betekenen, ooit geformuleerd in een film die ze ooit samen zagen. Met
als gevolg dat Esther en Simon nu suf aan weerszijden van de ontbijttafel
zitten, verwikkeld in een gesprek gereduceerd tot gegrom en geknik, elk gebogen
over een krant. Zij de papieren versie, hij de digitale versie weliswaar met de
papieren weergave. Want hij houdt ervan om met zijn vinger over de hoek te wrijven
en zogezegd een blad te kunnen omslaan. Toch vraagt hij nooit om te wisselen.
‘Dat is niet hetzelfde gevoel, zo’n echte krant,’ zei hij toen Esther het eens
voorstelde.

De reden voor hun vroeg ontwaken heeft al lang zijn
boterhammen met choco naar binnen geschrokt en springt nu even energiek als de
tekenfilmfiguren op de zetel. Er bestond wel weken geleden een verbod op
televisie kijken voor Felix naar school vertrekken moest, vertaald in telkens
een verveelde nee wanneer hij erom vroeg. Maar aangezien hij deze vraag
dagelijks herhaalde en de laatste tijd reeds om vijf uur ’s ochtends, nadat hij
pas om midernacht in slaap was gevallen, stond te zeuren hoe hard hij zich
verveelde, was dat verbod snel verveld van een “Nee, dat weet je toch” tot een “Oké dan, maar eerst boterhammen eten”,
om het toch een beetje te doen klinken als ouderlijk gezag, vanuit de naïeve
gedachte deze toegifte in de onvoorziene toekomst terug te kunnen draaien.

Of gewoon vier jaar te wachten tot hij als puber
weigert op tijd uit zijn bed te komen. Intussen heeft heel het gezin zich
aangepast aan het ritme van het kind en sleuren de twee ouders een joekel van
een slaaptekort met zich mee.

Om de stilte te breken die enkel verstoord wordt door
gegeeuw en schril gegil uit de woonkamer schakelt Esther de radio aan, waarbij
ze nauwlettend haar verkleurde knokkels afschermt. Vanmorgen nog snel de
verwonding op haar wang verzorgd en verstopt onder een laag make-up. Nu zit ze
hier helemaal opgemaakt om even heen en weer naar school te stappen, zodat ze
toch kan pretenderen dat ze nog naar een kantoor moet.

Omdat het nieuws in de krant ondertussen
tegengesproken wordt door de radio legt ze de gazet weg en staart ze afwezig
door het keukenraam. Het nieuws prevelt iets over een politiek schandaal ergens
in het zuiden en indrukwekkende sneeuwstormen ergens in het noorden. Niks over
drie zwaargewonde mannen ergens vlakbij. Ze betrapt zich op een prik van
teleurstelling, dat haar daden onopgemerkt blijven, los van een zoveelste
onderzoek opgestart door de politie. Misschien wil ze één keer een nieuwslezer
horen slikken bij het opsommen van verwondingen die zij heeft veroorzaakt, of
gewoon zien hoe Simon reageren zou bij een verslag over een te vrezen
wraakgodin. Ze wil weten of hij het weglachen zou of minachtend zijn hoofd
schudden, wat hij pleegt te doen bij elk bericht over een beroemdheid. Zoals nu
met de aankondiging van een nieuwe televisieprogramma getiteld “Tijd voor
trollen”, waarin de meest gemene tweets naar bekendheden worden nagespeeld voor
de persoon die de belediging verstuurd. Een soort make-a-wish foundation voor
mannen met terminale haat in hun botten.

Esther wil weten of ze het ooit vertellen kan, haar verborgen
kracht. Een onderwerp dat zich nog nooit spontaan heeft aangeboden en nog nooit
is een ruzie zo ontspoord dat hij het aan de lijve mocht beleven. In
tegenstelling tot relaties voorheen.

Zo kreeg haar eerste lief nog het zwaarst te verduren,
weliswaar niet helemaal onterecht. Het begon zoals een weekendfilm het zou
ensceneren met een ontmoeting tussen een good girl en een bad boy. Haar
krachten op dat moment nauwelijks meer dan vlagen van vlammende furie, overtuigd
dat elk meisje zo’n fase tijdens de tienertijd beleefde en het dan afschudde om
te vervellen tot een gedienstige vrouw met alle woede verwijderd uit haar
systeem. Dat dacht ze toch toen en vragen aan haar moeder was geen optie,
aangezien deze zich weinig aantrok van haar dochter sinds het vertrek van haar
man. Zodat Esther genoodzaakt was om alle veranderingen in haar lijf zelf te
analyseren, van haar maanstonden tot de onstuitbare goesting om de ogen in de
kassen te duwen van elke puberjongen die opmerkte dat haar billen meer vlees
bezaten dan haar borsten. Of de niet te temperen zin om die ene man op de bus
tegenover haar met zijn hand knijpend in zijn kruis te trakteren op een uit de
kom gerukte schouder en zestien blauwe plekken in de vorm van een hartje op
zijn uitpuilende buik. Dat soort puberale fase.

Esther groeide op, in permanente concentratie om haar
kracht te onderdrukken als een stotteraar in tijden van nervositeit. Ten volle
bewust van de schade die ze kon, maar nooit mocht aanrichten. En het enige wat
haar enigszins en even geen freak deed voelen, was hem. Samen met de ongekende
overrompeling van verse verliefdheid.

Ze was toen veertien jaar en hij ook maar al meer
ervaren in het benaderen van het andere geslacht. Dus het was hij die haar
aansprak en absoluut zeker niet omgekeerd. Het gebeurde in het park waar
allemaal verspreid groepjes scholieren rokend en roddelend de schoolbel aftelden,
in verschillende gradaties van coolheid.

Esther werd pas toegelaten in de samenscholing rond
het belangrijkste bankje, dat met een standbeeld in de buurt om achter te
verschuilen voor meer volwassen vertier, op zijn uitnodiging. Gevolgd door een
allesbehalve eloquent en weing subtiel compliment over haar houding op de fiets
dat haar vreemd genoeg niet kwaad maakte. En het ontbreken van boosheid leek te
betekenen dat hij de moeite waard was, argumenteerde ze.

Verlegen vervoegde ze het gezelschap en aanvaardde ze
een half opgerookte sigaret. Haar eerste ooit, maar ze had haar moeder genoeg
geobserveerd om te weten hoe men niet al te gulzig inhaleren moest. Wanneer het
rinkelen weerklonk en de rest van hun gezelschap zich naar de speelplaats haastte,
waren zij de enige twee die achterbleven. Zonder dat hij het haar had
voorgesteld. Als na een geslaagde test van haar toewijding kreeg ze een kus op
de mond, zijn tong plagerig langs haar lippen. Voorbij haar mond liet ze hem
niet toe, uit angst om de gevangen gebrande geur van sigaretten te bevrijden,
ook al hield hij zelf nog een gedoofde peuk tussen zijn vingers. Vijftien
minuten later glipten ze samen de school binnen, hun lippen nog tintelend en
opgewonden over hun eerste gedeelde minimale misdrijf.

De week erop waren ze hopeloos te laat en bleef de
schoolpoort onverbiddelijk dicht. Dan maar de rest van de dag spenderen in
onbekend gebied, besloten ze, in een stad wanneer iedereen voor een paar uur
leek te verdwijnen in klaslokalen en vergaderzalen.

Als uit een boek dat Esther ooit heeft gelezen, over een
alternatieve werkelijkheid waar elke straf, van gevangenis tot boete, omgezet
wordt in schaamte. Met officiële commissies om de juiste dosis vernedering te
koppelen aan elk specifiek misdrijf. Zo lopen er beëdigde stadsbeambten rond die een sluikstorter in het gezicht
mogen spugen. Bij lichte misdrijven worden niet de jonge overtreders opgepakt, maar
hun moeders naar de cel gestuurd, voor dat beetje extra schande voor de
familie. En de zwaarste misdaden worden dan weer bestraft door een heel
bataljon aan internettrollen losgelaten op iemand zijn of haar online
identiteit. Met als meest efficiënte methode het besmeuren van profielfoto’s op
Facebook met erbij gefotoshopte beelden van penissen. Omdat deze shaming door
de staat zo succesvol bevonden wordt, trainen politie-eenheden zich in slut
shaming, fat shaming en mum shaming. Er ontstaan kliklijnen bemand door
bejaarden die allemaal roddels moeten aanhoren en noteren. Er worden websites
opgericht en rondgemaild over de ergsten onder ons. En op den duur wordt buiten
komen te gevaarlijk, uit angst om een wet te overtreden en voor altijd digitaal
gebrandmerkt te worden. De enigen die nog buiten durven, zijn zij die nooit op
internet hebben gezeten, maar die tellen sowieso niet mee. Steden verworden tot
niemandslanden en iedereen blijft gewoon binnen, voor de zekerheid.

Ze was ergens halfweg
gestopt met lezen en wist niet of er nog een moraal van het verhaal opdook op
het einde. Maar ze vermoedde iets in de trant van “fantasie is de max en pesten
is stom”.

Kolkend door hun opgewekte onstuimigheid begonnen
Esther en haar grote liefde for ever and ever and ever en heel even te
fantaseren dat ze werkelijk onzichtbaar waren, een illusie getriggerd wanneer een
agent op de fiets hen negeerde. De fantasie werd een overtuiging, nooit een
goed begin, en ze gingen deze theorie in praktijk omzetten.

De diefstaf was zijn idee, haar voorstel om wat gekke
bekken te trekken naar voorbijrijdende bussen wees hij af wegens te
kinderachtig. Deze weinig flatterende opmerking flakkerde even een eerste tinteling
van haar kracht op. Maar deze kreeg ze onder controle door nagels in haar eigen
handpalm te boren, haar eerste daad van onderdanigheid om zich daarna weer te
laven in de sensatie van begeerd te zijn. Hij koos voor een supermarkt om de
hoek, wegens de chips die hij het liefst lustte. Iets beters kon hij niet
verzinnen om hun nieuw verworven vermogen om verborgen te blijven uit te
testen.

En iets beters dan een sorry kreeg hij niet uit zijn
strot wanneer ze beiden bij de kraag werden gegrepen door een veiligheidsagent
van de winkel en meegesleurd naar zijn kantoortje. De imposante man boog zich
voorover en spuwde de retorische vraag van wat ze van plan waren in hun
gezicht.

‘Niks, meneer,’ stamelde de jongen.

De man richtte zich nu naar Esther en vroeg wat haar
excuus was. Ze zei niks, vanuit de veronderstelling dat hij geen zinnig
antwoord verwachtte. Maar blijkbaar was dat een vergissing, aangezien de
veiligheidsagent haar stilte interpreteerde als arrogantie.

‘Heb je niks te zeggen of wat? Of ben je echt zo dom
als je eruit ziet.’

Opnieuw klonk het als een retorische vraag en opnieuw
bleef Esther zwijgen. Maar de belediging transformeerde in haar de verlammend
angst tot een heftige drang om hem te laten boeten. Het enige wat haar
tegenhield, was haar eigen schuldbesef. Maar dat vervaagde meteen bij zijn
“goeie” raad die erop volgde.

‘Luister hier, meisje, met dat soort kereltjes begint
het zo en eindigt het met jou zwanger op je zestiende. Met als enig voordeel
dat jij eindelijk tieten zult hebben.’

Om hem een kans te geven haar eren te redden, keek
Esther nog even naar haar lief naast haar, maar deze hing daar als een
inééngezakte pop met de enorme hand rond zijn bovenarm die omhoog hield. Dan
maar zelf regelen, redeneerde ze.

Ze omklemde haar vrije hand in een vuist, wat de man
opmerkte en hilarisch vond. Zijn gelach even bulderend als zijn bevelen. Maar
na één mokerslag van Esther net naast zijn neus stopte zijn gegrinnik en loste
hij zijn grip. De jongen viel als een wezen zonder botten neer op de plakkerige
vloer en bleef liggen in de hoek, snikkend.

Veel bijstand moest ze niet verwachten van hem en zette
zich schrap voor de reactie van de securitykerel. Deze had zich al hersteld van
zijn initiële verbazing en was niet zinnens zich in te houden voor een meisje
half zijn leeftijd. Wegvluchten was ook geen optie, aangezien hij de uitgang
versperde.

‘Jij gaat afzien, stomme trut.’

Een dreigement om zichzelf op te peppen, maar ook
Esther vervulde met een onoverwinnelijke kracht. Wanneer hij haar vastgrijpen
wou om door elkaar te rammelen, alsof hij dacht dat men goed gedrag opwekte door
goed te schudden om de brave bubbels in het brein te doen borrelen, kreeg hij
nog een slag te incasseren. In volle ongeloof over haar kracht viel hij haar
opnieuw frontaal aan. Haar eerste slagen verstomden hem, haar laatste slag
vernietigde hem.

Zo hard belandde haar vuist tegen zijn aangezicht dat
zijn neus verbrijzelde en zijn benen hem niet meer rechtop hielden. Als een gebouw
gedoemd tot sloop stortte de man in elkaar.

Haar quasi-lief bekeek het tafereel met open mond en
dook nog meer in elkaar, bang dat Esther nog niet voldaan was in haar wraak.
Maar even snel als het zich injecteerde in haar lijf verdween de woede en vroeg
ze oprecht bezorgd of hij zich had bezeerd. De jongen schudde van niet en wees
naar de afgeranselde man.

‘Hij had mij geen trut mogen noemen. Kom, we zijn weg
hier.’

De relatie duurde daarna nog een week of drie, maar
meer als een verwaterde versie van hoe het ooit begon. De dynamiek tussen hen twee
omgewisseld, met hem nu overdreven attent, in een opzichtige poging om haar
woede te vermijden. Een rol van de onderdanige schoothond die ze verfoeide en
het omgekeerde effect genereerde, dus werd zij toch lastig op hem en hij als
tegenreactie nog liever. Wat ook totaal niet paste met zijn glimmende outfits
en blinkende sneakers. En absoluut niet de reden was waarom ze ooit hem
verkoos. Maar nog groter was haar wrok voor haar eigen kracht, hoe deze haar
eerste echte verliefdheid had verknald. Ze zwoer toen nooit meer zoiets te
laten gebeuren.

Daarom trok Esther zich terug, weg van hem, weg van de rest,
zonder het ooit uit te maken. Ze spijbelde op haar eentje en ging tijdens de
schooluren terug naar huis, zonder dat haar moeder er iets van zei of zelfs
opmerkte. Daar, weggestoken van de wereld, trachtte ze zichzelf bekwaam te maken
in de beteugelen van wat in haar zat.

Op haar donkerste dagen dacht ze zelfs de oorsprong
van haar kracht getraceerd te hebben en met een mes stak ze in haar eigen buik,
toen ze daar iets meende te voelen. Maar de pijn van de eerste steek deed haar
al inéén krimpen en ze staakte alle pogingen om het er zogezegd uit te snijden.
Haar kracht, hoe indrukwekkend ook, beschouwde ze dan maar als een nooit te
genezen tekortkoming.

Ze slaagde wel om zich in te tomen, ook tijdens de
dagen wanneer ze in de klas opdaagde. Maar uit zelfbescherming meed Esther de
ontmoetingen in het park vooraf. Tot groeiende ongenoegen van haar lief die
geen vrede nam met zijn onduidelijke status en haar via via instrueerde om de
ochtend daarop aanwezig te zijn. Haar afstand tot hem had hij geïnterpreteerd
als een bewijs van ontrouw, of nog erger als een akte van zijn saaiheid. Ook
werd zijn lieftallig gedrag door zijn getrouwen gedefinieerd als zwakte, zeker
wanneer zijn relaas over de gewelddadige kant van Esther op ongeloof stootte
bij zijn maten. Tot hij zijn eigen verhaal in twijfel trok en het toeschreef
aan zijn gestresseerde toestand toen. Dus meende hij dat het tijd was om zijn
rechtmatige supprematie over haar terug te claimen, al was het maar om zijn
eigen reputatie te redden en alle meisjes na Esther niet op de foute ideeën te
brengen. Want in het park bleef niks lang geheim, hoe diep men zich ook
verschool tussen de struiken en achter het standbeeld.

Hij stond haar op te wachten, met een publiek van
gelijkgestemden rond hem. Esther zag aan zijn vuurrood hoofd dat hij zich heeft
laten opjutten en meteen stak hij van wal met de onwrikbare puberale
overtuiging van onrechtvaardig behandeld te zijn. Ze wist dat ze best gewoon
sorry zou zeggen en weer vertrekken. Wat ze ook wou meedelen, maar elk verwijt
uit zijn mond werd ondersteund door hoongelach van omstanders en dreef hem tot
nog meer kleinerende opmerkingen.

‘Ik voelde wel iets toen ik voor jou de eerste keer
zag en ik dacht dat het interesse was, Esther. Maar nu weet ik beter, nu weet
ik dat het medelijden was.’

Deze uitspraak deed de spreekwoordelijke kamer
ontploffen. Maar hoe luid en uitbundig alle toehoorders ook reageerden, het was
niks vergeleken met wat er broeide binnen in haar. Iets wat ze nauwelijks
beheersen kon en slechts één foute aanraking verwijderd was van ontketend te
worden. Daarom sprak ze weer geen woord en nam ze een stap achteruit, terug
naar haar fiets. Om te verdwijnen en spijbelen om erger te voorkomen. Iets wat
hij op zijn beurt opvatte als een belediging veel vreselijker dan wat hij had
verklaard.

‘Hier blijven, want ik heb nog geen kus gekregen.’

En mocht hij het enkel gezegd hebben, dan was er niks
gebeurd. Dan had ze gewoon flauw geglimlacht en hem zelfs deze overwinning
toegestaan. Maar het feit dat hij zijn eis om een zoen onderstreepte door haar
bij de pols vast te pakken, zorgde ervoor dat hij op de grond terechtkwam na
een kopstoot van haar, gevolgd door een schop in het kruis. De rest van de
jongens sloegen op de vlucht achterna gezeten door een razende Esther met haar
gezicht vol bloed die haar fiets alsof deze niks woog door de lucht deed
vliegen en liet landen op een groepje van drie. Geraakt door het projectiel donderden
ze van hun eigen fiets en strompelden ze gehavend en gekrenkt weg. Haar enig
geluk was jong te zijn in een tijdperk zonder een fototoestel in elke telefoon
en bleven de getuigenissen over haar uitbarsting beperkt tot het park en haar
directe omgeving.

Daarna werd het iets ingewikkelder voor Esther om
vrienden te maken op school en spendeerde ze het meeste van haar tijd alleen
door. Tot een jaar later een nieuw leven zich aandiende, toen haar moeder
meldde dat de huur van hun huis onbetaalbaar werd en ze zouden intrekken bij
oma en opa. In een stad waar hopelijk niemand haar kende.

‘Zeg, hoe lang zit hij al voor dat scherm?’

Simon sleurt haar uit haar mijmeringen en kijkt haar
aan alsof hij echt een antwoord verwacht. Ook al heeft hij een tablet met een
zeer precieze klok in zijn handen. Meer uit automatisme dan na het berekenen
van de resterende minuten roept ze dat Felix nog één aflevering kijken mag. ‘En
dan moeten we naar school vertrekken.’

‘Oké,’ zegt hij en zal gegarandeerd straks toch nog
een aflevering eisen. Met de loze belofte zijn kleren tijdens het kijken aan te
trekken. Het wordt krap straks, beseft ze, wanneer ze het uur op haar eigen
telefoon checkt. Maar nu iets anders afdwingen van Felix zou nog meer tijd
opeisen dan een aflevering en daarom verdiept ze zich dan maar weer in de
krant.

Esther stoot op een artikel over een vreemd incident
in een stadje waar ze nog nooit heeft van gehoord. Na klachten van
geluidsoverlast is de deur van een hotelkamer opengebroken en heeft men op de
grond een restant van een man aangetroffen, zijn ledematen van elkaar gerukt
met een onmetelijke brutaliteit als door een mythisch wild beest. In de kamer
zat ook een vrouw van zestig met een badjas aan, haar haren nog nat van de
douche. Op haar geen schrammetje te vinden, geen spatje op haar huid, los van
haar blote voeten tikkend in de plas bloed. Geen verklaring voor dit gruwelijk
tafereel en de vrouw hult zich in zwijgen. En Esther weet maar al te goed
waarom, want wie zou haar geloven.

Dit is niet de eerste keer dat ze aanwijzingen vindt van
vrouwen zoals haar, maar nooit denkt ze eraan om deze op te sporen, uit angst
zelf gevonden te worden. Maar dit verslag grijpt haar bij de keel en ze rilt
bij de gedachte dat zoiets haar ook te wachten staat. Dat de kracht die ze in
haar koestert en op gezette tijden uitlaat als een ongedurige hond zal toenemen
naarmate de jaren verstrijken en op een dag niet meer te beheeren is. Of
misbruikt wordt.

Zoals haar is overkomen op haar zeventiende. Een
leeftijd wanneer de wereld een samenzwering leek om dat laatste jaar voor
volwassenheid zo moeilijk en vermoeiend mogelijk te maken. Of zo ervaarde
Esther het toch, haar dagen tot haar achttiende verjaardag doorbrengend in dat
krappe huis van haar grootmoeder. Waar ze net als haar moeder ontzettend haar
best deed om de andere huisgenoten te ontwijken, elk met hun eigen methode. Zo
verschool Esther zich in haar kamer en koos haar moeder ervoor om elke avond
buiten te zijn, op zoek naar de man die hen in de steek had gelaten en zich dan
maar tevreden stelde met elke vent die er een beetje op leek.

Voorheen deelden ze deze beperkte oppervlakte nog met
een grootvader, maar die verdween toen Esther bijna zestien was. Toen haar
moeder de neiging had om de mannen na een nacht of vier te benoemden tot de
liefde van haar liefde en hen kwam voorstellen aan Esther. Ze kwam altijd
binnen zonder te kloppen en kondigde hem aan als: ‘Kijk, dat is hem, je nieuwe
vader.’

Maar één man zag zijn pas verworven status als voogd
als een vrijgeleide om de beide vrouwen als een dubbelpakket te beschouwen. Ook
hij kwam dan maar binnen zonder te kloppen, zoals vaders dat mogen, verklaarde
hij. Zoals ze ook mogen voelen hoe goed hun jonge dochters groeien, hijgde hij.
Het eindigde pas met zijn oor afgescheurd van zijn hoofd en rustend op de
handpalm van Esther als een trots gevonden schelp op het strand. Terwijl de man
hysterisch van de pijn op haar éénpersoonsbedje kronkelde, stormde de
grootvader de kamer binnen, in zijn kielzog haar moeder en grootmoeder. De
beide vrouwen wierpen zich op de verwonde man, de moeder om hem te beschermen
tegen de grootmoeder die hem nog meer pijn berokkenen wou. Maar de grootvader
verroerde zich niet, instant bewust van wat zijn kleindochter hem aandoen kon
bij elke verkeerde beweging. En op dat eigenste moment voelde hij wat hij het
meest bij zichzelf en een ander verachte, hij voelde een onmannelijke
verlammende angst. Een emotie die zou opspelen elke keer als Esther zich in
dezelfde kamer als hem vertoefde en ook de reden waarom hij na decennia van
huwelijk zijn vrouw verliet zonder verklaring.

Vanaf dat moment leefden de drie generaties van
vrouwen als enigen samen, in totale onmin met elkaar. Waarna Esther zich begon
af te vragen of haar vader vanuit dezelfde angst had gehandeld toen hij
besliste te vertrekken, of ze misschien ooit in de tijd voor herinneringen zich
vergroeiden met haar hersenstam een even vreselijke daad van agressie had
vertoond dat hem heeft weggejaagd.

En zo werd ze zeventien, overtuigd van haar identiteit
als angstaanjagende freak in de ogen van mannen en jongens. Esther hoorde heus
wel de gefluisterde geruchten over een gevecht in een park die toch door een
netwerk van roddelaars en overdrijvers haar jaren later waren gevolgd. Wat ook
niet echt hielp om vriendinnen te vinden, uit vrees dat Esther hen besmetten
zou en ook transformeren tot sociale paria’s.

Behalve Jelena, een oudere zus van een klasgenote. Die
haar net omwille van de mythe aanspreken wou.

‘Ben jij Esther,’ vroeg ze wanneer ze haar zus met de
auto van de ouders kwam ophalen.

‘Niet mee praten, ze jaagt mannen weg,’ waarschuwde de
zus Jelena.

‘Is dat waar? Moet je mij eens leren.’

Esther ontkende uiteraard alles, maar kon een glimlach
niet verbergen, wat Jelena goed genoeg decoderen kon. De zus sleurde haar mee
naar de auto en Jelena beloofde snel nog eens te verschijnen aan de
schoolpoort.

Iets wat ze dagen later inloste en terug toenadering
zocht na school. De zus liep Jelena straal voorbij en wou niks te maken hebben
met deze ontluikende vriendschap.

‘Hier ben ik weer,’ zei Jelena.

‘Dat zie ik. Maar ik moet ergens naartoe.’

‘Dat is niet waar.’

‘Nee, dat is niet waar. Valt het zo hard op?’

‘Je bent niet de enige die iets speciaals kan. Zo ben
ik heel goed in bullshit ruiken, zoals jouw uitvlucht nu.’

‘En wat denk je dat ik speciaal kan,’ vroeg Esther,
oprecht bevreesd voor haar antwoord.

‘Luister, wat het ook is, jouw geheim is veilig bij
mij. Op één voorwaarde. Dat je vanavond meekomt, naar een optreden van mij.’

‘Speel je in een band,’ vroeg Esther.

‘Laat dat mijn geheim zijn, voor een paar uur. Dan
staan we gelijk.’

En de eerste impuls van Esther was opnieuw te liegen
dat ze niet kon, maar deze keer sprak ze deze uitvlucht niet uit en beloofde te
komen.

Het adres dat Jelena haar gaf, lokte haar om
middernacht naar een plek ongeschikt naar welk optreden dan ook. Zelfs een
poppenkast met één marionet die een monoloog declameerde, zou niet eens passen
in die beschimmelde hotelkamer waar het krakend bed als podium diende met een
publiek van dertig mensen. Daar was Esther getuige van een literaire avond vele
levels onder de mainstream en zag ze Jelena voor het eerst als de
postpunkpoetryperformer met de artiestennaam de Anti-Babe. Maar de grootste
revelatie die nacht was de totale schaamteloosheid waarmee de vrouwen
balancerend op dat bed hun woede tentoon spreiden. In plaats van op te kroppen.
Al vanaf de openingsact, verzorgd door een frêle jonge vrouw die zichzelf
introduceerde als een Krijsende Komiek onder het pseudonym Maak Mij Blij
Godverdomme Klootzak.

‘Maak voor mijn vrienden, Godverdomme Klootzak voor mijn
vijanden.’

Daarna volgde een uitputtende en razende comedyset van
zeven minuten over haar specifieke smaak in mannen. Niet inzake fysieke
bijzonderheden, maar qua uitstraling. In haar eigen bewoordingen verkoos zij de
meest verlegen wezens. Want Maak Mij Blij Godverdomme Klootzak hield zo van hun
gierende angst om haar aangeboden bloot lijf aan te raken met hun handen.

‘Hoe ze beginnen te trillen als je hen aanraakt, hoe
ze bijna overgeven van angst om de kleinste fout te begaan, hoe ze sorry zeggen
bij elke stoot en hoe ze daarna hun mama willen bellen. Mama, ze zei dat het
wel mocht, echt waar, deze keer wou ze wel, mama. Maar na één keer neuken met
mij worden ze zo zelfzeker dat het mij niet meer interesseert. Dan denken ze te
snel dat een erectie hebben talent betekent. Dan moet ik hun ego samen hun
penis weer doen verschrompelen tot iets zieligs met haar erop. Want er is één
ding lekkerder dan een verlegen man en dat is een vernederde man. Vooral zij
die al vanaf hun geboorte te horen krijgen hoe stoer ze zijn in hun versleten
joggingbroeken van hun broers en jaren later rondlopen met een namaak Louis
Vutton tasje met nauwelijks plaats voor hun telefoon en hun insulinespuit. Niet
voor een portefeuille, want geld hebben ze toch niet, die mannen. Altijd een
goeie opening voordat ik hen neuk, hun gebrek aan biljetten en voor ze
doorhebben wat ik hen verwijt, toeslaan met een tirade over hun afwezige vader.
Meestal willen ze mij slaan, want ze slaan zo graag. Het enige wat ze geleerd
hebben van hun pa. Maar ik heb een taser, dus ze moeten luisteren en zwijgen,
voor de eerste keer in hun leven. Heerlijk hoe ze daar dan liggen in mijn bed,
zielig snikkend en zo bang dat ik doorvertellen zal. En terwijl ik hun
gekrompen piemeltje in mijn hand leg, neem ik hun telefoon. Het nummer van hun
moeder altijd bovenaan bij hun favorieten, want wie anders zou hen bellen om te
weten hoe het gaat. Van zodra ik haar stem op de luidspreker hoor, begin ik zo
hard te kreunen en hun naam te noemen en te roepen hoe hij mijn harige kut likt
om al mijn sappen op te zuigen omdat het even goed proeft als het zaad dat naar
beneden drupt afkomstig van de grote broer bovenaan het stapelbedje. Ook al
horen ze hun moeder bijna snikken van teleurstelling, stijf worden ze
allemaal.’

En zo nog minuten lang met de scherpste stem dat haar
mond produceren kon. Maak Mij Blij Godverdomme Klootzak switchte pas terug naar
haar gewone zelfs zachtaardige stem om de Anti-Babe aan te kondigen. Jelena
besteeg het wankele podium en stak meteen van wal met een tekst getiteld
“Wraakfantasieën van een verkrachte vrouw” waarin ze in extreme details opsomde
wat ze allemaal zou doen met dat “monster” in haar bed, met welke werktuigen en
waar precies op zijn lijf, hoeveel bloed uit welke ader zou spuiten, hoe ze
elke afgesneden deel zou drogen in haar dagboek en welke doodle ze erbij zou
tekenen, droog voorgelezen alsof het instructies waren uit het handdoek
“folteren en martelen voor het ganse gezin. En tegelijkertijd kleedde ze zich
ook nog eens uit. `

Na een minuut of drie was de Anti-Babe enkel nog
gehuld in een beha, nog meer dan haar durf verbaasde Esther zich over haar
evenwichtsvermogen met één been op die golvende matras. En net wanneer ze haar hand
naar haar rug leidde, om zich te ontdoen van haar laatste kledingsstuk en dan
in vol ornaat haar lijf te presenteren, gebeurdde het onvermijdelijke. Een
toehoorder duwde zich een weg naar het bed en smeet zich op Jelena. En voor
heel even dacht Esther samen met de rest van het publiek dat het erbij hoorde,
als een gepaste apotheose van haar tekst.

Maar wanneer de man haar bij de keel greep en de blik
in haar ogen niet gespeeld leek, schoot Esther in actie, ook al geraakte haar
kracht pas opgestart als de agressie tegen haar gericht was. Maar ze ging er
vanuit dat de belager genoeg geile woede op overschot had. Met nog steeds met
zijn ene hand rond haar hals kneedde en kneep zijn andere hand gulzig alles wat
hij tegenkwam, alsof hij ondanks zijn zinsverbijstering wel doorhad dat hij
zich maar een seconde van genot kon veroorloven. Want daar was Esther al, als
nog een mensenlaag er boven op. De andere aanwezigen nog steeds in de
veronderstelling dat de show zo gepland was en de worsteling aan het bewonderen
als ramptoeristen. Het enige wat Esther op dat moment bedenken kon, was het
vastpakken van zijn vettig haar dat bijna uit haar handen gleed en er zo hard
mogelijk aan trekken. Eerder geïrriteerd dan bezeerd loste de man een kreet en
trachtte Esther weg te waaien als een gemene wesp. Iets wat nog altijd niet
haar kracht opwekken zou, dus begon ze te roepen van ‘afblijven, zeg ik jou’,
als tegen een kind met zijn hand in de koekendoos. Opnieuw haalt de man
ongecontroleerd uit met zijn vlakke hand en deze keer raakte Esther tegen haar
wang. Meer een tik dan een slag, maar genoeg om loos te gaan. Ze klemde haar
arm onder zijn hoofd, haar elleboog als een dubbele kin en trok hem van Jelena.
Haar lijf bezaaid met vuurrode handafdrukken, maar haar gezicht opgelicht door
een triomfantelijke blik.

Met de man in een houdgreep sleurde Esther hem van het
bed en zo over de vloer waar het publiek netjes opzij ging. Hij verweerde zich
mateloos, maar hoewel hij haar overtrof in gewicht en lengte en hoe wild hij
ook tegenspartelde, ze gaf geen duimbreed toe. Tot bij de minieme badkamer
sleepte ze hem, de deur weliswaar niet open te krijgen met één hand wegens een
ronde klink alsof ze vreesden voor binnenvallende beren. De man voelde hoe
Esther hem even loste en in plaats van fysiek offensief dacht hij het allemaal
te kunnen uitleggen. Dat Jelena het had uitgelokt, dat ze had moeten weten hoe
gezonde mannen zouden reageren, met nadruk op gezond alsof een dokter hem ooit
had wijsgemaakt dat een erectie negeren TBC zou opleveren, dat het als
compliment bedoeld was. Wat zelfs flauw applaus veroorzaakte bij het publiek.
Ironisch bedoeld, hoopte ze.

Maar de man interpreteerde het als een goedkeuring van
zijn daden en stak als een overwinnaar zijn armen in de lucht. Wat Esther vrij
spel gaf om bij hem een vuistslag in de ribben te planten en gewoon tegen de
deur van de badkamer, want nog altijd niet opengekregen.

Nu wel, zijn gekatapulteerd lijf brak de deur uit haar
hengsels en viel met een doffe bonk neer als een harde mat. Als hij slim was,
bleef hij liggen. Maar hij had al bewezen om even intelligente beslissingen te
nemen als een profvoetballer na zijn eerste loonbriefje en stelde zich terug
recht. Om nu Esther te beledigen en haar te beschuldigen van jaloezie. Maar dat
hij grootmoedig genoeg was om ook haar daarna te bevredigen. Haar antwoord was
een vuist, deze keer in de maag. De pijn verspreidde zich in zijn lijf met een
lichtsnelheid en het voelde alsof elke cel in hem tot ontploffing werd
gebracht. Één slag was voldoende om zijn mondholte te vullen met opgewekte
kots, maar hij bezat geen energie om het eruit te braken. En Esther had nog
geen zin om al te stoppen met hem te straffen. Een tweede slag raakte hem nu
net onder de borstkas, als een rudimentaire hartmassage om een ademstoot uit
zijn systeem te forceren en het braaksel zijn luchtwegen niet meer blokkeert.
Ze deed het om hem te sparen, maar zo zag hij het niet. Want hij gebruikte zijn
net bevrijdde mond om haar meteen terug te beschimpen. ‘Weet je wel wie ik
ben,’ riep hij dan maar, een uitspraak die eigenlijk haar eigen vraag
beantwoordde, bedacht Esther en maande hem tot stilte met een voortreffelijke
dreun tegen het hoofd. Een iets enthousiaste applaus brak los bij de
toeschouwers die zich bijeengeperst hadden rondom de badkamerdeur. Jelena had
zich in tussentijd terug aangekleed en bedankte haar met een lange kus op de
mond. Wat een nog heftigere applaus deed ontkiemen. En vanaf dat moment werd
Esther de beschermster van de Anti-Babe.

Zonder expliciet gevraagd te zijn, vergezelde ze
sindsdien Jelena bij elk optreden en moest Esther nog vaak genoeg ingrijpen. Wat
ze steeds plichtsgetrouw en even onzagwekkend deed, met als gevolg dat een
avond zonder een fysiek vergrijp bijna teleurstellend werd voor Jelena.

‘Was ik te mak,’ vroeg ze dan.

‘Hoezo? Geniet je ervan als mannen dat doen?’

‘Nee, ik geniet ervan jou te zien terugvechten.’

‘Echt,’ vroeg Esther en voelde iets dat verdomd dicht
bij trots kwam.

De twee werelden die ze bewoonde, overdag
school en studies, ’s nachts kraakpanden en kroegen, dreven steeds meer uit
elkaar. En op den duur spendeerde ze zoveel tijd samen door met Jelena dat
nieuwe roddels zich manifesteerden over hun innige vriendschap. Opnieuw leek
het Jelena niks te schelen. Integendeel, ze glunderde bij elke venijnige
opmerking en spoorde Esther aan om hetzelfde te doen.

‘Als je nu al weet dat je niet als hen wilt zijn, maar
net als hen blijven denken?’

‘Je snapt het niet,’ antwoordde Esther altijd.

Want voor Jelena was de puberteit een overwonnen fase,
voor Esther een dagdagelijks mijnenveld. Toch brak ze niet met Jelena en
koesterde ze elk moment samen, zeker die ritten na een optreden wanneer haar
wonden verzorgd worden op de parkings van snelwegtankstations. Wanneer ze
beiden op de achterbank zaten, flauw belicht door een zaklamp geklemd tussen
zetel en hoofdsteun, en Esther haar T-shirt uittrekken moest. Ze begon uit te
kijken naar deze korte ogenblikken van rust. Wanneer ze ontegensprekelijk teder
werd aangeraakt met de zoete adam van Jelena op haar huid.

Met het beetje geld dat ze verdiende als bodyguard
kocht ze voor de eerste keer een beha in een lingeriewinkel in plaats van iets
mee te grissen uit een sportzaak. Een aankoop dat Jelena meteen opmerkte toen
ze hielp met uitkleden. Maar ze zei niks. Ze boog zich even toegewijd over de
kwestsuren uit dankbaarheid voor de wildheid waarmee Esther daarvoor een zatlap
had gedecimeerd. Maar alles verliep iets trager, iets langer dan gewoon.
Terwijl Jelena het ontsmettingsmiddel aanbracht op de bijtwonde in haar
schouder legde ze haar andere hand op de ontblote buik. Een handeling dat nog
als toevallig gezien kon worden, maar elke onschuld verloor wanneer deze hand
haar vingers gebruikte om o zo zacht te strelen. Ze liet het gebeuren, siste
enkel even bij het gevoel van het koude
ontsmettingsmiddel. De hand van Jelena sloop omhoog, een vinger vormde
een cirkel rond de navel als een pirouette door een kunstschaatser en bleef
stijgen, tot bij de kanten rand van de gloednieuwe beha. Nu had geen van beide
nog aandacht voor de wonde en bekeken ze samen hoe deze vinger het aandurfde om
de nog bedekte tepel te beroeren, alsof het allemaal buiten hun wil gebeurde.
Hoewel Esther haar eigen borsten zeker nog niet zag als pronkstukken van een
naar eigen zeggen middelmatig lijf, ze voelde zich verheugd dat ze eindelijk
genoeg gegroeid waren om een decolleté te vormen, zeker deze beha die ze
zorgvuldig had uitgekozen. Nadat het liefkozen van elke tepel tot deze bijna
door het dunne stof heen priemden, werd de ene vinger hiervoor verantwoordelijk
vergezeld door de rest van de hand en permitteerde Jelena zich om heel de borst
te ontbloten. Eerst wou ze enkel kijken, zei ze, daarna vastnemen. Even zachtaardig
als altijd, geen spoor van de vuilgebekte podiumbeest. Ook wanneer ze met haar
tong de aangeboden tepel likte en dan de halfopen mond van Esther door een
gelukzalige zucht opeiste met zoen dat pas onderbroken werd door de felle
lampen van een vrachtwagen die zich naast hen installeerde voor de nacht.

‘Niet hier, niet nu,’ zei Jelena.

Pas twee weken later daagde ze weer op, wanneer Esther
overtuigd was geraakt dat ze het verknald had en ze best gewoon het schooljaar
afmaakte zonder al teveel deining. Maar daar stond ze dan, na schooltijd, leunend
tegen de auto van haar ouders en een uitdagende blik normaal voorbehouden aan
frontmannen van punkbands. Even dacht Esther om nog eens een uitvlucht te
verzinnen en door te lopen, maar ze zag al van ver dat Jelena geen excuus, echt
of vals, aanvaarden zou en stapte in de auto. Ze hoefde niet eens te kijken om
te weten dat klasgenoten elkaar stonden porren en haar giehelend aanwezen.

Jelena stoof weg en zei enkel dat er een optreden
gepland was, zonder te polsen of Esther er zin in had. Maar zo was blijkbaar
hun relatie verworden, van bondgenote naar waakhond. En zo veranderde deze trip
van een avontuur naar een goedaardige ontvoering.

Na een korte pitstop langs
de snelweg, zonder enige liefkozingen en waar ze bijna al hun geld uitgaven aan
alcohol en chips koos ze voor een afrit richting een onbeduidend stadje
grenzend aan een imposant bos. Zonder behulp van GPS of landkaarten leek Jelena
perfect haar weg te kennen en steeds dieper verdwenen ze via modderige baantjes
dieper in het bos. Om pas te stoppen aan de ingang van een vergaan
vakantiedorp. Wat op basis van vorige en vreemdere speelplekken nog steeds kon
wijzen op een optreden. Pas wanneer Esther vroeg of ze aan het juiste adres
waren en Jelena antwoordde met ‘Ik vind van wel’, begon ze te twijfelen aan de
ware bedoeling van deze bestemming.

Wegens een gesloten
slagboom hadden ze geen andere keuze dan de auto achter te laten bij de ingang
en hun zakken met inkopen mee te nemen. Wanneer Esther ook een zak voor zich
nam, werd ze beloond met meer uitleg over deze locatie.

‘Hier zaten we vroeger
elke zomer met het gezin. Tot heel het park moest sluiten, want illegaal
gebouwd in natuurgebied of zoiets. Net één jaar nadat mijn ouders zich hebben
laten overtuigen om het huisje dat ze elk jaar te kopen, als slimme
investering, voor een goed pensioen te hebben op het einde van de rit. Ze zijn
nog aan het af te betalen, plus nog eens gerechtskosten. Sindsdien wordt er met
geen woord gesproken over deze plek, totale taboe bij ons thuis. Het ging zelfs
zo ver dat ik begon te geloven dat ik al die fijne herinneringen uit mijn
kindertijd verzonnen had. Mijn zus was nog jong toen, maar ik niet, ik weet nog
hoe ik hier rondhuppelde in een jurkje als een mollige Heidi in de bergen die
na al twee meter buiten adem geraakte. Maar goeie tijden toen en die zijn mij
gewoon afgepakt, omdat zij te stom waren om nog een lening af te sluiten. Ook
thuis zal je geen foto’s vinden van deze plek, van mij in die zandbak ginder.
Die daar, maar ik zou er nu niet in spelen, ik heb al eens een everzwijn
betrapt die erin aan het schijten was. Ik verdenk mijn ouders er zelfs van dat
ze mijn dagboek van toen hebben gevonden en de pagina’s over deze plek eruit
gescheurd hebben. Maar niet zeker. Dan zijn ze verbaasd dat ik zo vreemd ben
uitgedraaid.’

‘Zitten hier
everzwijnen,’ vroeg Esther.

‘Ja, ofwel heel harige
drugsverslaafden.’

‘Oké, maar nu weet ik nog
altijd niet wat we hier komen doen.’

‘Het is heel simpel, mijn
ouders hebben ervoor betaald, maar willen het niet. Ik wel, dus ik aanvaard het
als hun… wat het omgekeerd ook is van post mortem erfenis. Dus is het van ons.’

Hoewel het vakantiedorp
niet meer dan een vijftigtal woningen telde, slaagde het terrein erin om zich
te gedragen als een volkomen doolhof. Maar opnieuw manoeuvreerde Jelena zich
even gezwind langs de verroeste speeltuigen en doorheen met brandnetels
overgroeide wandelwegen. Om haar gezelschap te leiden naar een doodlopende
straat waar de paar vervallen en verweerde huizen nauwelijks van elkaar te
onderscheiden waren. Een sleutel bezat ze niet en duwde een reeds geforceerde
deur open om dan met een galante buiging Esther te laten voorgaan. Binnen werd
meteen duidelijk dat Jelena hier al een tijdje resideerde, dat zag Esther aan de
leeg geknepen blikjes op de zetel, aan de bekladde muren met zinnen die ze
herkende uit haar teksten, aan de uitgeschraapte pot chocopasta op tafel naast
wat beschimmelde boterhammen en in het midden van alles een majestueuze matras
bedekt met een niet al te frisse slaapzak.

‘Welkom thuis, Esther,’
zei ze en om het idyllisch beeld compleet te maken, kuste ze haar vol op de
mond. Iets wat Esther eerst deed terugdeinzen en fluisteren van ‘wacht,
alstublieft’. Wat Jelena wel deed en haar weer losliet, om zich dan vlak voor
haar uit te kleden. Ook al heeft Esther dat lijf al zo vaak in vol ornaat
gezien, soms nog met de sporen van een brutale aanvaller de dag ervoor, toch
nam ze elk detail in haar op. Hoe de spieren in haar ranke been zich opspanden
bij het optillen van haar voet, hoe ze intuïtief haar buikje wat introk bij het
openen van het laatste knoopje op haar hemdje, hoe die ene kubistisch tatoeage
op haar bovenarm reflecteerde in de avondzon, hoe ze eerst haar hand liet
verdwijnen in haar slipje om haar eigen hitte voelen voor ze volledig bloot
wachtte op een teken van Esther. Zij bleef staan, de plastic zak met bier en
chips nog in haar hand, om dan onhandig en zonder enige gratie het voorbeeld
van Jelena te volgen. Zo stonden ze daar, recht tegenover elkaar, naakt maar
toch nog verlegen. En het was Esther die als eerste iets ondernam, die een stap
vooruit nam en haar hand plaatste op de bil van haar vriendin. Wat Jelena
interpreteerde als een verzoek zich om te draaien zodat Esther die twee statige
tieten kon vastgrijpen en heel dat lijf tegen zich aan te drukken. Ze voelde
hoe haar aanrakingen sidderingen veroorzaakten en schakelde een versnelling
hoger. Ze nam de tepels tussen haar vingers en hoorde hoe dit met gekreun werd
beantwoord. Ze zoog zich vast in de hals en met haar hand eigende ze zich dat
kutje toe. Haar stoutste verwachtingen werden overtroffen wanneer ze tussen die
dijen natgloeiende lippen aantrof die haar vingers naar binnen lokte. Omdat hun
benen bijna bezweken, verplaatste heel het liefdestafereel zich naar de matras
waar ze elkaar bereden, tot Jelena zich uitgeput gewonnen gaf. En Esther loog
ook niet toen haar werd gevraagd of ze ervan genoten had en zei dat het
heerlijk was. Maar toch voelde dit samen zijn meer als een onomkeerbare
consequentie van haar kracht aangezien elke relatie met een man gedoemd was om
ooit ten onder te gaan na één rustige ruzie.

Voor Jelena echter was
het totale overgave, een ware liefdesrelatie met alles erop en eraan. Los van
die ene eerste keer was het altijd zij die initieerde en aandrong. Nooit
weigerde Esther, zij laafde zich aan de veelvuldige complimenten over haar
schoonheid. Aan de bekentenis van Jelena dat ze zich nog nooit zo geïnspireerd
heeft gevoeld en dat sinds hun aankomst hier tientallen teksten heeft
geschreven. Du moest wel liefde zijn, toch?

De dagen erna verloor
Jelena zich steeds meer in haar fantasie van hen twee als enige overlevenden na
een catastrofale ramp, ietwat geholpen door de omgeving. Met dit huis als de
enige veilige plek in een vijandige wereld. Esther moest ook binnen blijven
wanneer zij op strooptocht ging en andere woning doorzocht naar voedsel en voornamelijk
wijn. En bij het eten vertelde ze, over wat ze nog schrijven wou, over wat haar
is aangedaan, over haar zuster werd gezien als een godenkind door haar ouders.

‘Al sinds haar
kindertijd. Vooral mijn moeder was niet in staat om haar vreselijk karakter te
beschouwen als een falen van hun opvoeding. Dus het moest wel een aandoening
zijn. Je kent het soort ouder wel. Hun kind kan niet mee op school, dus ze moet
wel hoogbegaafd zijn. Hun kind slaat andere kinderen, dus ze moet wel
hypersensitief zijn. Hun kind luistert niet als ze iets zeggen, dus ze moet wel
autistisch zijn. Mijn zus werd meegesleurd naar zoveel psychologen tot één hen
bevestigde en zij konden roepen van “zie je wel”. En je kent het resultaat, je
zit ermee in de klas.’

Hoewel Esther haar zus
helemaal beschouwde als een vreselijk wezen, knikte ze wel, meer om haar te
plezieren, om niks te verknallen tussen hen. Om een keer voor de verandering
iemand anders blij te maken.

Maar op die kleine
oppervlakte van de matras zag Jelena wel hoe ongemakkelijk ze werd tijdens het
vrijen. En in plaats van gas terug te nemen, werd ze driester in wat ooit
liefkozingen waren. Dan zou ze die benen van Esther omklemmen en niet stoppen
met likken tot haar tong het opgaf. Ze zou haar polsen vastbinden en boven haar
hoofd houden terwijl ze beet in het vlees van Esther en zuigvlekken achterliet
rond de tepels. Het werd een relatie met een uitgesproken maar nooit
afgesproken rolverdeling tussen de dominante en de ondergeschikte. Waarbij
Esther dezelfde scheldwoorden zou aanhoren die mannen haar toeriepen, maar
zonder dat haar kracht in werking trad.

Toch bleef ze, bang om
ook hier een spoor van schade achter te laten. Nog maar zeventien was ze en
toch al bevreesd om alleen te eindigen. Een sentiment dat Jelena ook uitbuitte
en haar wijsmaakte dat niemand anders haar ooit liefhebben zou. Behalve zij en
veranderde daarom haar artiestennaam van de Anti-Babe naar Niemand Anders. Maar
deze verstoorde versie van verliefdheid kon niet blijven duren.

Die dag was Jelena terug
op speurtocht vertrokken en bleef Esther achter in het huis. Om nog eens een
poging tot lezen te ondernemen. De meeste boeken in dit pand behoorden tot de
categorie van flutromans over de hoofse liefde, maar slaagden er wel om Esther
geiler te maken dan elke verwoede poging van Jelena. Wat haar nog
pessimistischer stemde over de slaagkansen van hun toekomst samen. Ze zat
midden in een scène met een bronstige koopman en welwillende prinses tijdens
een drieste orkaan en graaide reeds vol goesting in haar slipje toen er werd
aangeklopt. Zonder een antwoord af te wachten, zwaaide de deur open en kon
Esther zich nog net helemaal bedekken.

Ze waren met zijn drieën,
de ouders van Jelena vergezeld door een agente. Het was de moeder die haar
vroeg, te beleefd bijna, of ze wist waar haar dochter zat.

‘Ze kan elk moment terug
zijn, mevrouw,’ antwoordde Esther, even formeel.

‘Oké, dan wachten we
buiten.’

De vader fluisterde nog
iets in het oor van de politieagente en ook zij verliet de woning. Esther bleef
nog even verweesd liggen, voor ze zich fatsoeneerde en water op haar gezicht
gooide. Wanneer ze ook naar buiten stapte, was Jelena reeds opgedaagd, terug
van haar plundertocht met herbruikbare boodschappentas. Ze stond in het midden
van de straat, in het uniform van de lokale fastfoodzaak omdat het haar
onzichtbaar deed voelen, en leek niet zinnens dichterbij te komen.

‘Dag Jelena,’ probeerde
de moeder. ‘Hier zit je dus.’

Geen reactie.

‘We hebben gewacht en
niet meteen de politie gebeld. Ook al heb ik die auto nodig heb voor mijn werk,
dat weet je. Maar we hebben jou een kans gegeven om terug te komen, maar we
kunnen niet blijven toegeven,’ zei de vader op zijn beurt.

‘Jelena, alstublieft, kom
terug naar huis. Misschien moeten we een nieuwe dokter zoeken, misschien hoeven
al die pillen niet. Maar zo breng je jezelf in gevaar. Je brengt anderen in
gevaar, zoals dat meisje hier,’ sprake de moeder, haar wangen doordrenkt met
tranen.

Maar wanneer Jelena zelfs
niet reageerde op deze smeekbede was het aan agente om haar toe te spreken.

‘Luister hier, ik ben
niet geduldig zoals je moeder en vader hier, dus dit is ook geen verzoek, dit
is een bevel. Je zet die tas op de grond en legt je handpalmen op je hoofd.
Begrepen… ik herhaal begrepen.’

Nu pas kwam er een barst
in haar onverzettelijke houding en leek Jelena te gehoorzamen door de tas te
laten vallen. Om dan dreigend haar vinger te richten naar haar moeder. Eerst
weerklonk er een ijselijke kreet, als een beest in haar doodsstrijd. Dan sprak
ze onbewogen haar bevel uit, bestemd voor Esther.

‘Ik wil dat je begint met
mijn vader. Ik wil dat je jouw tanden in zijn oog zet en kapot bijt tot alle
sap eruit floept als bij een kerstomaat. Ik wil dat je zijn leeg oogkas dan
vult met een afgerukte teelbal en aangezien je dan toch al beneden bezig bent,
wil ik dat je zijn lul eerst hard maakt met je hoerenmond en dan het vel van die
ouwe mannenpik stroopt met je tanden. En dan…’

‘Jelena, stop. Niet
doen.’

‘Komaan, Esther, begin
ermee. Val die vuile fascisten aan.’

Voor alle zekerheid draaide
de agent zich om naar Esther, eens checken hoeveel ze te vrezen had van dit
zeventienjarig meisje. Maar aangezien deze zelf met tranen in de ogen alles
aanhoorde, richtte de vrouw haar aandacht weer op Jelena die ze behoedzaam
benaderde.

‘Oké, ik kom jou langzaam
tegemoet. Geen bruuske bewegingen maken of het loopt hier fout af. Begrepen,
Jelena?’

Maar deze reageerde nog
steeds niet op welke vraag ook en bleef maar Esther aanzetten tot groots
geweld. Zelfs wanneer ze tegen de grond werd gedwongen en handboeien rond haar
polsen kreeg.

‘Godverdomme, Esther, doe
het voor mij. Maak ze kapot. Ze staan vlak naast jou.’

De vader vroeg haar te
kalmeren, om erger te voorkomen, en verzocht de agente om haar niet te ruw te
behandelen. Beide tevergeefs. Ondertussen kreeg Esther van de moeder een
zakdoek aangeboden, nat van haar eigen tranen, en een poging tot een uitleg.

‘We hebben te laat
ingegrepen. We hebben veel eerder hulp moeten zoeken voor haar, maar we wisten
niet…’

‘Nee, niet doen. Ik wil
het niet horen,’ onderbrak Esther, geen zin in welke verantwoording ook. Geen
zin in een sorry met een maar erna. Zeker geen zin in begrip te tonen.
Verdwijnen, dat was wat ze wou. En haar kracht voelen, om naar die politiewagen
te spurten en Jelena eruit te sleuren en haar te straffen voor wat ze haar had
aangedaan. Als een nieuwsgierige buur die even kwam piepen naar de commotie
buiten, ging ze terug het huisje binnen. Niemand hield haar tegen en niemand
kwam afscheid nemen.

Ze bleef nog een dag of
twee, pakte haar spullen bijéén, plus een paar boeken voor onderweg en begon de
lange wandeltocht terug naar huis. Als een straf die ze zichzelf had opgelegd
voor haar naïviteit. Het kostte haar drie dagen om thuis te geraken, om dan de
resterende maanden voor achttiende verjaardag te leven als een menswezentje in
winterslaap. Om als volwassene te ontwaken en dan voorgoed te vertrekken.

‘Zeg, hoe lang duurt zo’n
aflevering?’

Voor de tweede keer die
ochtend wordt ze door Simon uit een dagdroom gerukt. En opnieuw is zijn vraag
eigenlijk een verdoken verwijt. Maar zijn opmerking veroorzaakt geen rimpeling
in haar systeem. Alsof de lijzige toon waarmee Simon elke zin in zijn mond
doorspekt, elk effect op haar kracht tenietdoet. Als een toverformule.

Misschien koos ze daarom
ooit voor hem, wegens zijn onvermogen om haar echt kwaad te krijgen. Maar ze
kan zich ook niet herinneren dat hij haar ooit onbetamelijk aan het lachen
heeft gebracht, met die luie stem van hem. Niet één keer in die tien jaar
samen. Maar voor ze weer begint te mijmeren over hun ontmoeting, eist Felix
alle aandacht op.

‘Mama, ik heb dorst.’

‘Kom, we moeten
vertrekken.’

‘Maar je luistert niet,
ik heb dohohohohorst.’

‘Je kunt onderweg iets
drinken.’

‘Gaan we langs de
winkel?’

‘Nee, ik pak wel een
beker melk mee,’ antwoordt Esther.

‘Maar dan loop je heel de
tijd rond met een lege beker,’ moeit Simon zich.

‘Ik wil geen
mehehehehehelk.’

‘Ik vind dat niet erg om
met een beker rond te lopen, de helft staat er zelf met koffie in kartonnen
bekers.’

‘Ik wil appelsap.’

‘Doe je kleren aan, we
moeten vertrekken.’

‘Maar de aflevering is
nog niet gedaan.’

‘Kan mij niet schelen, we
gaan te laat komen.’

‘Ik wil niet naar
schohohohohohol.’

‘Neem anders zo’n
diepvrieszakje mee,’ zegt Simon.

‘Wat? Waarom? Over wat
heb je het?’

‘Dan kun je die vuile
beker in je handtas steken, zonder dat die vlekken maakt.’

‘Mama. Ik vind mijn
kleren niet,’ roept hun achtjarige zoon die het monotone stempatroon van zijn
vader niet geërfd heeft en zeer goed in staat is boven het lawaai van de televisie
te krijsen. Wat ervoor zorgt dat Esther het wel bij hem voelt, hoe zijn jennen
en zijn gezeur meer kunnen losmaken dan irritatie. Hoe zijn consequent
tegenspreken haar kracht losweekt en hoe de muren haar woede moeten incasseren.
Wat de aankoop van die vreselijke schilderijen die de deuken maskeren,
verklaart. Maar nog zoveel jaren te gaan, plus nog een puberteit die moet
losbarsten en zo weinig ongeschonden muren in dit huis.

‘Felix zegt dat hij zijn
kleren niet vindt,’ zegt Simon.

‘Als je hem hoort, kun
jij toch ook gaan.’

‘Hij vraagt naar zijn
moeder.’

‘Ja, omdat hij weet dat
jij sowieso niet komt,’ reageert Esther.

‘Exact, omdat hij weet
dat ik hem niet verwen.’

‘Niks doen telt niet als
opvoeden.’

‘MAMAAAAAA.’

‘JE KLEREN LIGGEN VOOR JE
NEUS.’

‘Waar?… O ja, ik zie
ze.’

Omdat de televisie nog
alle andere geluiden overspoelt met haar eigen luidruchtigheid registreren haar
man en zoon niet de doffe dreun een verdieping hoger niet. En schrijft Esther
op haar hand dat ze nog wat schilderijen aanschaffen moet. Of avondlessen om te
leren plamuren, bedenkt ze.

Eindelijk zijn ze het
huis uit, Felix met zijn kleren aan en Esther met een volle beker melk die hij
toch niet wilt. En die zij bijna laat vallen wanneer ze haar rinkelende
telefoon in haar handtas grijpen wil. Met haar hand nat van de gemorste melk
kan ze net op tijd opnemen en weet meteen door die korte pauze na het noemen
van haar naam dat het een potentiële cliënte betreft. Esther bezit geen website
of deelt geen flyers uit, maar vrouwen vinden haar wel. Als ze wat rondvragen.

‘… Hallo… ik kreeg dit
nummer van…’

‘Ik hoef niet te weten
wie, zolang jij weet wat ik doe.’

‘… Oké… ik denk van wel…
het is in verband met mijn vriend… hij…’

‘Wacht. Stop. Ik bespreek
nooit opdrachten via de telefoon.’

‘Zijn we gewoon opdrachten
voor jou,’ vraagt de vrouw.

‘Zolang ik geen betere
omschrijving heb gevonden, benoem ik het graag zakelijk. Geloof mij, dat is
beter voor ons allebei.’

‘Kunnen we afspreken?
Ergens deze week?’

Esther stemt toe en maakt
een afspraak voor morgenvoormiddag. Wanneer ze ophangt, valt het haar op hoe
ongewoon stil Felix bleef. Alsof hij probeerde mee te luisteren.

‘Wie was dat, mama?’

‘Gewoon. Werk.’

‘Welk werk? Ben je ook
advocaat, zoals papa?’

‘Nee, jongen, ik werk
thuis. Ik ben een redactrice.’

‘Wat is dat?’

‘Ik verbeter boeken.’

‘Cool, strips en zo?’

‘Nee, handleidingen en
schoolboeken. Niet zo cool. Sorry.’

‘Klinkt saai, mama.’

‘Ja. Dat is waar. Hier,
jouw melk.’

‘Ik wil geen melk.’

Geen zin in gekibbel tot
aan de schoolpoort om daar dan te staan als een moeder die te laat was
opgestaan om te ontbijten, gooit ze de beker en al in een vuilnisbak onderweg.
De school op een wandelafstand van tien minuten en dit was ook de voornaamste
reden voor hun aankoop zoveel jaren geleden. Felix was nog niet geboren, maar
slaagde er toch al in om zijn willetje door te drukken. En aangezien er een
degelijke middelbare school even nabij gelegen is, lijkt het haar weinig
waarschijnlijk dat ze gauw zullen verhuizen. Ook al is ze deze route al kotsbeu.

Soms twijfelt Esther of
ze het Felix vertellen moet, misschien zou hij het nog beter begrijpen dan
Simon en zou ze eindelijk niet als saai afgeschreven worden. Maar hoe dan? Hem
zeggen dat mama mannen in elkaar slaat en dan ongeloofwaardig verklaren dat
geweld op de speelplaats verkeerd is? Of hem meepakken op een opdracht, dat hij
haar met zijn gezeur in de juiste zone krijgt, als viagra voor haar woede? Of alles
een keer opnemen met een camera en gewoon tonen, aangezien hij toch alles
liever via een scherm verneemt? Nog voor ze in de buurt van een antwoord komt,
zijn ze al lang aangekomen op hun bestemming en wilt hij nu wel zijn melk.

‘Welke melk?’

Een uitvlucht zo
doorzichtig, maar wel één die werkt aangezien Felix niet verder vraagt en zijn
schouders ophaalt voor hij de speelplaats bestormt. Dus haar geheim onthullen
aan Felix en hopen op wat begrip stelt ze best nog wat uit, denkt ze.

De volgende dag na het
afleveren van Felix installeert Esther zich in een koffieplek enkele straten
verder, de plaats van afspraak. Een halfuur te vroeg, tijd zat voor nog twee
koffies en een krant. Ze leest een artikel over een gruwelijke moord op een
vrouw, enkele dagen geleden in haar eigen huis. Haar eigen man gearresteerd als
de hoofdverdachte, maar schreeuwt zijn onschuld uit, dat het indringers waren,
ook al zijn er geen sporen van inbraak of diefstal. Een afrekening van een op
het eerste zicht doodgewone vrouw. Opgezogen door het verhaal merkt ze niet dat
iemand haar tafel benadert.

‘Pardon? Esther?’

Ze plooit onhandig de
kracht dicht en begroet verstrooid de jonge vrouw die haar net heeft
aangesproken. Opnieuw vertoont ze alle kenmerken van vrouwen die haar zijn
voorgegaan en de hulp van Esther hebben ingeroepen. Ze ziet de gespannen pose
op trillende benen, hoe ze haar handtas omknelt tot haar knokkels wit kleuren
en dan is er die blik, die specifieke blik, een gezicht al vervormd door al
zoveel keer sorry te moeten zeggen. Eigenlijk kan Esther al het verhaal raden
en hoeft ze enkel naam en plaats te horen. Maar ze aanhoort alles, hoe het haar
hortend en stotend wordt meegedeeld.

‘Het begon zo goed. Echt
goed. Hij bracht mij altijd zo hard aan het lachen. Een beter bewijs van de
ware bestaat niet. Toch?’

Esther knikt wel, maar
zegt niks.

‘Soms kan een man zich
fantastisch schoon verliezen in de liefde en klinkt de grootste puberale onzin
toch prachtig als hij het juist uitspreekt. Zo zei hij een keer dat hij pas
ademen kon met mij in de buurt, dat ik zuurstof verspreidde, dat hij mij daarom
zo vaak en lang kussen moest. Toch schoon. Niet?’

‘Ja. Niet slecht,’
reageert Esther. ‘Maar jij hebt niet afgesproken met mij om te vertellen hoe
goed zit tussen jullie twee.’

‘… Misschien heb ik hem
ook gedwongen om te veranderen. Omdat ik het zo graag hoorde, die grootse
woorden. Ik vroeg hem altijd om te verkondigen wat hij zo speciaal vond aan
mij, ook in gezelschap, ik wou hem moeite zien doen om iets nieuws te
verzinnen. Ik heb dat obsessieve in hem aangemoedigd, want hij was niet zo in
het begin.’

De vrouw pauzeert, alsof
ze eigenlijk tegengesproken wil worden, dat het haar schuld niet is, dat ze
zoiets nooit mag denken. Maar begrip tonen en halfslachtige dooddoeners
debiteren behoren niet tot haar takenpakket. Dus vervolgt de vrouw haar relaas.

‘Ik wil hem terug zoals
hij was, in het begin. Toen we waren allebei op ons best. Dan kunnen we terug
herbeginnen.’

‘Ik denk dat er een
misverstand is. Ik doe aan straffen en wegwezen. Ik doe niet aan
relatietherapie.’

‘Maar wacht. Als hij zou
weten dat ik even hard kan terugslaan, via jou dan, dan zou hij anders zijn.
Dat weet ik zeker.’

‘Nee, sorry, zo werkt het
niet.’

‘Ik dacht dat jij grote
boze wolfin was, de beschermster der verslagen en geslagen vrouwen,’ zegt ze,
iets te luid vreest Esther.

‘Shht. Ik snap dat je
problemen thuis hebt en ik vind dat heel erg. Versta mij niet verkeerd, maar ik
ga hem niet in mekaar slaan en jou dan binnen te roepen voor een goed gesprek.
Er is een reden waarom ik het zo zakelijk doe.’

‘Ik kan gerust meer
betalen dan de rest. Want daar draait het om voor jou. Onderhandelen over de
financiële waarde van onze problemen.’

‘Nee, echt niet.
Alstublieft, iets stiller. We zitten hier niet alleen,’ sist Esther.

De vrouw grabbelt in haar
handtas en legt een goed gevulde envelop op de tafel. ‘Tel maar na en zeg dan
ja of nee. Ik ga een stuk taart bestellen.’

Esther hoeft niet eens te
rekenen om te beseffen hoeveel geld haar aangeboden wordt. Toch rest er een
twijfel. Want in geldnood verkeert ze niet. Simon verdient riant goed bij het
advocatenkantoor en zij versiert ook wel genoeg freelance redactiewerk. Maar
dit geld behoort uitsluitend haar toe, om weg te steken in haar lade van de
badkamer, haar ontsnappingsplan mocht het ooit allemaal mislukken.

Ze neemt terug plaats aan
tafel, met een flink stuk kaastaart en twee vorken. De envelop nog steeds
onaangeroerd, tot de verbazing van de vrouw.

‘Dus toch een nee?’

‘Niet persé. Geef mij een
deel nu en mail mij wat hij precies doet met jou. Zet als titel wel “redactie
gevraagd”. Ik zal het lezen en dan beslissen. Goeie keuze trouwens,’ zegt
Esther, neemt een hap van de taart en verlaat de zaak.

Uiteindelijk belooft
Esther haar te helpen en liegt zichzelf voor dat deze beslissing meer te maken
heeft met die lange hartverscheurende mail dan met het vooruitzicht van een
serieuze compensatie. Ze spreken af om het plan uit te voeren op een
donderdagavond.

Simon heeft aangekondigd
dat hij opnieuw tot laat werken moet, omwille van een uiterst belangrijke
rechtszaak, waarover hij blijkbaar ooit gesproken heeft en Esther geen detail
meer van herinnert. Zal wel aan zijn boeiend betoog hebben gelegen.

Ook trommelt Esther
opnieuw Lieselot op om te komen babysitten en opnieuw laat ze weten dat ze niet
te lang blijven wil. Deze keer niet wegens een ultimatum van haar vader, maar
een afspraakje met een nieuw lief. Hoeveel extra geld Esther haar ook aanbiedt.
Maar het zestienjarige meisje toont zich minder gemakkelijk te paaien met poen
dan Esther zelf. Het zal wel grote liefde zijn.

Om acht uur ’s avonds
heeft ze afgesproken met de vrouw, op de hoek van haar straat. De vrouw zou
haar huis verlaten onder het mom van sigaretten te kopen. Op de passagierszetel
heeft Esther al een pakje in een typisch plastic zakje klaargelegd.

Het is iets na acht uur wanneer
ze de vrouw haar huis ziet verlaten, haar nervositeit overduidelijk zichtbaar,
een passante lijkt haar te vragen of er iets scheelt. Maar de vrouw negeert de
bezorgde burger en stapt aangedaan de auto in, waardoor ze de sigaretten plet
en nu onbruikbaar zijn geworden. Ze begroet Esther niet en blijft voor zich
uitstaren. Minutenlang.

Wat Esther ongeduldig
maakt en de slaagkansen van hun plan drastisch minimaliseren. Want als ze niet
snel terugkeert, zelfs zonder sigaretten, zal de man onraad rijken en haar
komen zoeken buiten. Ze blijft wanhopig op haar inpraten.

‘We moeten iets doen.
Snel. Eigenlijk nu. Anders lukt het niet.’

Dan opent de vrouw de
portier en neemt ze het pakje verbrijzelde sigaretten vast.

‘Kom, we doen het,’ zegt
de vrouw, bevreemdend gedecideerd.

Esther moet zelfs wat
lopen om haar snelle tred te kunnen bijbenen. Plus nog eens die lange dikke
sjaal uit haar handtas krijgen. Aangezien een iets betere vermomming haar
aangewezen lijkt in dit geval. Idealiter zou ze een bivakmuts moeten dragen,
maar waar koop je dat zonder aan de kassa bekeken te worden als een
bankovervaller in spe. Ooit probeerde ze eens een XXXL Kerstmis uit, gekocht
tijdens de solden, waar ze twee ooggaten knipte. Maar weinig indruk maakte het
op de man in kwestie en al na twee minuten zweette ze al zo hard dat het vreselijk
begon te jeuken. Dan maar een sjaal, ook lopen sommigen nog in shorts rond
tijdens deze vroege herfstdagen.

De vrouw tracht zich koelbloedig
te gedragen, maar kan haar bibberen niet bedwingen bij het zoeken van het slot
met haar huissleutel. Esther moet ingrijpen en opent in haar plaats de voordeur.
Samen glippen ze naar binnen. Op verzoek van Esther blijven ze staan in de hal,
om de omgeving in zich op te nemen. Maar zonder concrete aanleiding verbreekt
de vrouw de afgesproken strategie en roept ze dreigend luid dat ze thuis is.
Esther wil haar in paniek het zwijgen en drukt haar hand tegen de mond van de
vrouw. Deze rukt de hand weg en begint nog luider te schreeuwen.

‘Kom je roken?’

‘Je weet toch dat ik niet
rook,’ hoort Esther de man zeggen, zijn verbazing over het onbezonnen gedrag
van de vrouw even groot als de hare.

‘Ik wil toch dat je
komt.’

Esther schudt heftig met
haar hoofd en begint in het rond te speuren naar een verstopplek. Maar haar
enige en beste optie lijkt gewoon te vertrekken, te veel variabelen in het spel
beland. Echter dat wordt haar ook niet gegund, want daar verschijnt al de man
in de hal.

‘Wie is dat?’

Voor Esther zelf iets
verzinnen kan als reactie, begint de vrouw weer even luid te roepen, ook al
staat hij vlak bij haar.

‘Zij komt jou kapotmaken,
jij vuile klootzak. Ze gaat jou laten voelen wat er gebeurt met eikels die mij
bedriegen.’

‘Over wat heb je het?’

‘Je weet maar al te goed
over wat ik het heb. Met mijn beste vriendin godverdomme,’ brult ze en om haar
beschuldiging kracht bij te zetten, slaat ze nog eens met haar vlakke hand op
zijn wang. Uit een reflex duwt hij haar weg, waardoor de vrouw hard tegen
Esther botst.

‘Zie je wel, zie je hoe
hij is,’ jankt ze nu tegen Esther, terwijl deze blijft staan, hoewel elk rationeel
mens al lang vertrokken was. Maar zij niet, de invloed van zijn plotse agressie
tast haar al aan en dat zomaar uitschakelen lukt haar niet meer.

‘Ik vraag het niet nog
een keer, wie ben jij,’ hijgt de man.

Esther kijkt hem even
indringend aan, haar ogen net zichtbaar boven de sjaal en voelt haar bloed
kolken nu hij haar in het vizier heeft. Alsof hij toch gewaar is van haar als
volkslegende, die over de vrouw met de vurige vuisten, bedaart hij wat en
vraagt hij iets kalmer haar sjaal te verwijderen. Wat Esther weliswaar weigert,
ook al zou het zeker de gespannen sfeer kunnen doorbreken. Maar onherkenbaar
blijven lijkt veiliger dan de situatie ontmijnen, want een boze man trotseren
heeft ze al genoeg gedaan.

‘Doe het uit. Nu,’ roept
de man, met volume die de vrouw overtreft terwijl deze nog verwikkeld zit in
een monoloog met de ergste verwijten over hem. ‘En vond je het lekker? Mocht je
bij haar wel in haar dikke kont? Misschien best wel, want die uitgeleefde kut
van haar is zo slap dat het altijd in haar baarmoeder.’

‘Hou je kop, jij
paranoïde zottin. Er is niks gebeurd.’

‘Ik heb die berichten wel
gelezen. Met dezelfde zinnen die je ooit tegen mij zei,’ zegt de vrouw, haar
stem al kapot geschreeuwd en nu hees maar even heftig.

‘Schat. Ik kan alles
uitleggen. Maar dat is iets tussen jou en mij. Ik weet niet wie dat is, maar
zij heeft hier niks mee te maken. Ik wil dat ze weg gaat.’

‘Esther blijft, om mij te
beschermen.’

Bij het horen van haar
naam weet Esther dat elke kans om zonder enige repercussie weer te vertrekken
verkeken is.

‘Esther wie?’

En terwijl hij de vraag
stelt, grijpt hij naar haar sjaal, of hij haar toch van ergens herkennen kan.
Te laat voelt ze hoe de dikke stof van haar gezicht verdwijnt en hij haar in
zich opnemen kan. Maar tijdens zijn ontmaskering heeft hij ook een lok van haar
haar vast en rukt hij die uit haar kapsel. De pijn is plots en haar reactie
ook. Met het onderste deel van haar handpalm beukt ze frontaal tegen zijn mond,
zijn tanden krassen over haar huid. Als scheermesjes zo scherp snijden ze in
haar vel en bloed vloeit over haar onderarm. Ze moet echt stoppen met te mikken
op monden, beseft ze.

Straks, wanneer de kracht
is uitgewerkt, zal het zoveel zeer doen. Nu propt ze de getroffen onder haar
oksel en probeert niet te denken aan hoe zijn smerig speeksel reeds in haar
bloed sluipt. De schade bij haar lijkt groter bij haar dan bij hem, maar toch trekt
hij zich terug in de andere kamer.

‘Ik ga de politie bellen,
je hebt mij godverdomme bellen.’

‘Hou hem tegen,’ roept
Esther tegen de vrouw. Maar deze verkiest om op dit moment te beginnen zeuren
over haar tevredenheid als klant.

‘Heb ik jou zoveel
betaald? Voor één keer te slaan?’

‘Meen je dit, mens? Het
is goed, ik ga wel.’

Aangezien de man nog
steeds haar sjaal vastheeft, is Esther genoodzaakt snel iets anders te zoeken
om haar gezicht te bedekken. Daarom plukt ze uit haar broekzak de enige zakdoek
die ze meeheeft, ook al is deze bedrukt met de afbeelding van éénogige MinionÓ. Ze bindt deze rond haar mond en vreest dat ze
eruitziet als mentaal gehandicapte bankovervaller. Maar nu nog wisselen zal
niet lukken, want ze hoort hem, niet helemaal verstaanbaar wegens de slag op
zijn bakkes, al in de andere kamer een inbraak melden aan de politie.

‘Ze heeft me ook al
aangevallen, ik zei, ze heeft me al aangevallen.’

Nog pompend van de
adrenaline rent Esther de huiskamer in en belandt met een vindt ze zelf
sierlijke sprong op hem. Beide vallen op de grond en de telefoon glipt op zijn
handen, met de stem van de noodcentrale nog te horen.

‘Meneer, hebt u
gedronken? Want u klinkt beschonken.’

‘Help,’ roept de man naar
het toestel twee meter van hem.

‘Meneer, we hebben meer
dan dat, kunt u alstublieft uw adres geven.’

Maar voor hij dat verzoek
kan inwilligen, drukt Esther haar vinger op zijn lippen en priemen haar ogen in
die van hem. Hij knikt dat hij het begrepen heeft.

‘Meneer, als u niet
antwoordt, moet ik dit gesprek beëindigen. Val alstublieft ons niet lastig met
valse oproepen. Bent u daar nog,’ vraagt de telefoniste duidelijk verveeld.

Pas wanneer ze
daadwerkelijk de verbinding verbreekt, spreekt Esther de man toe.

‘Luister goed naar mij,
zij heeft mij gevraagd iets duidelijk te maken, namelijk als jij haar nog één
keer slaat of pijn doet, dan kom ik terug en sla ik tien keer harder terug.
Oké?’

‘Maar ik heb haar niet…’

‘Ik zei oké.’

Nu zwijgt de man en knikt
gedwee.

‘Dus wat er ook aan de
hand is tussen jullie twee, het interesseert mij niet, het zijn mijn zaken
niet, ook al lijkt dit het omgekeerde van wat ik zeg, los het op en vergeet dat
ik hier ooit was.’

Kortstondig lijkt deze
tactiek van hem bang maken te werken en blijft hij ook roerloos liggen wanneer
ze rechtop gaat zitten. Maar dat is gerekend buiten het volatiele karakter van
de vrouw die haar kans schoon ziet om haar wraak bot te vieren. Want daar
verschijnt ze al, nog volop in haar exposé over zijn ontucht en haar
tekortkomingen.

‘En wat heeft zij dat ik
niet heb? Toch niet die tieten, die zien eruit als twee roze plastic zakken met
elk een mandarijn op de bodem. Waarom heb je dat gedaan? Vind je ons dat zo
onbelangrijk?’

Waarbij ze haar
woordenstroom onderstreept door hem hard in de zij te stampen. De man krimpt
inéén van de pijn en Esther roept haar toe om te stoppen. Maar het mag niet
baten, nu richt ze zich op het hoofd met een welgemikte schop. Alle kracht
verdwijnt uit het lijf van Esther wanneer ze merkt dat de man niet meer bij
bewustzijn is. Maar dat houdt haar niet tegen, nog schoppen volgen en het
gezicht van de man verandert in aan amalgaan van blauw en bloed.

De bijtende pijn in haar
hand eist nu alle aandacht op. Esther springt recht en duwt met haar
ongeschonden hand de vrouw weg.

‘Stop, je hebt gewonnen.’

Nu pas lijkt ze vatbaar
voor suggestie en aanvaardt het bevel. Hijgend blijft ze staan, trots
neerkijkend op het slachtoffer. Esther haast zich naar de badkamer, waar ze
alle kasten overhoophaalt op zoek naar ontsmettingsmiddel en verband. Ze spoelt
de wonde schoon en winkelt een hele rol errond. Nog geen flauw idee hoe ze dat
uitgelegd krijgt thuis.

Terug in de huiskamer is
de scène ongewijzigd. Als een overwinnaar staat de vrouw nog steeds glorieus
naast de verslagen man. Hoe zwaargewond hij is, kan ze niet inschatten, met als
enig teken van leven het zachte gereutel uit zijn beschadigde mond.

‘Oké, we moeten een
ambulance bellen,’ zegt Esther.

‘Waarom?’

‘Kijk naar hem, je bent
te ver gegaan. Dit was het plan niet. Jij wou hem gewoon laten schrikken.’

‘Hij ziet er behoorlijk
geschrokken uit, vind ik,’ zegt de vrouw en lijkt werkelijk een bulderlach te
verwachten van Esther.

‘Hij ziet er niet
geschrokken uit, hij ziet eruit alsof heel de ochtendfile op de snelweg over
hem is gereden. Hij moet verzorgd worden.’

‘Ik zal hem verzorgen,’
zegt de vrouw en gaat op haar hurken zitten. Ze strijkt haar hand door zijn haar
en kust hem teder op het voorhoofd.

‘Jij bent zot.’

‘Doe je altijd zo gemeen
tegen je klanten?’

‘Als ze mij belogen
hebben, wel. Je vroeg bescherming en hij ligt hier halfdood. Door jou,
godverdomme,’ zegt Esther, nog steeds met die zakdoek rond haar mond.

De vrouw zucht verveeld
en geeuwt zelfs opzichtig luid. Om zich dan recht te stellen en haar handtas
pakken. Ze overhandigt Esther de envelop met de rest van het geld.

‘Wel veel geld voor een
beetje bescherming. Voor een vrouw met zo’n gave vind ik jou wel wat naïef.’

‘Hou je geld maar.
Advocaten zijn duur, naar het schijnt.’

‘Dat kun jij wel weten,
Esther. Is jouw man zo’n pro deo sukkel?’

Perplex door het
nauwelijks verborgen dreigement valt Esther stil en aanvaardt ze de dikke
envelop.

In de auto onderweg naar
huis grijpt ze zelf vier keer naar haar telefoon en toetst het noodnummer in,
maar steeds gooit ze het toestel neer op de passagierszetel, naast haar
zwijggeld. Ze vervloekt haar laf gedrag, maar houdt zich voor dat ze het
allemaal doet om haar eigen gezin te beschermen.

Terug thuis, met haar
kind in bed en Lieselot languit op de zetel, voelt de confrontatie van eerder
al snel als iets van een ver verleden. Hoe vaak ze deze woning ook verfoeit wegens
gevuld met te dure spullen, nergens voelt ze zich veiliger dan voorbij haar
voordeur. Esther roept dat ze eerst naar het toilet moet, voor ze zich laat
zien aan Lieselot. Ook al zou deze hoogstwaarschijnlijk zelfs tijdens de
Apocalyps naar haar schermpje staren om geen enkele tweet met #NoMoreWorldOMG
te missen terwijl voor haar voeten de doden uit de grond klauteren. Maar voor
de zekerheid verdwijnt Esther in de badkamer om haar wonde nog eens te
ontsmetten en te verbergen met een grote pleister beschilderd met een
verdrietige dinosaurus. En om haar envelop met geld weg te steken.

Op de vraag of Felix flink
is gaan slapen, vertelt Lieselot dat hij even tegenstribbelde, omdat hij slapen
saai vindt.

‘Hij vindt alles saai, de
laatste tijd,’ zegt Esther.

‘Vraagje, mevrouw Booms?’

‘Natuurlijk.’

‘Waarom zoveel lelijke
schilderijen?’

Voor de zoveelste keer
zou Esther gewoon haar hart willen uitstorten en alles in één gulp opbiechten,
al is het tegen een puber die denkt en praat zoals ze een SMS opstelt, maar ze
verbijt deze opwelling.

‘Vind je ze lelijk? Ik
vind ze wel iets hebben. Smaken verschillen zeker.’

Lieselot staart haar aan,
zoals elke zestienjarige kijkt naar die ene gênante tante op een familiefeest die
na drie porto’s het bloemstuk op haar hoofd zet en luidop getuigt over die ene
neukpartij tijdens een vakantie in Senegal door de aubergine op haar bord te
vergelijken met de penis in haar bed. Of zoiets. En Esther weet dat elke kans
om geloofd te worden door deze jonge vrouw ook ongeveer nul benadert.

Lieselot vertrekt
richting vriendje en Simon komt niet snel daarna terug thuis. Uitgeput als
altijd en neemt ook genoegen met een uitéénzetting over gebroken glas wanneer
hij naar haar pleister wijst. In bed volgt er nog een luie vrijpartij, nadat ze
een beetje aandringt. Opnieuw verbaast het haar hoe lang en graag hij haar
beffen wil, waarbij Esther nooit goed weet wat te doen met haar handen en dan
maar haar eigen borsten vastpakt.